In deze tweedelige serie onderzoekt Pètra hoe coronacrisis vanuit politiek-filosofisch perspectief bekeken kan worden. Het eerste deel is hier te lezen. In het eerste deel onderzocht ze hoe politiek filosofen, zoals Hobbes, Locke en Rousseau de coronacrisis zouden bekijken en analyseren. Ze heeft in het eerste deel uitgelegd dat deze politiek filosofen zouden pleiten voor een maatschappij die wordt geleid door experts en niet door burgers zelf in tijden van crisis. Als gevolg hiervan werden vrijheden ingeperkt om de gezondheid te beschermen. In het tweede deel pleit Pètra voor het omgekeerde standpunt vanuit politiek-filosofisch perspectief, namelijk dat vrijheden niet ingeperkt zouden mogen worden tijdens de coronacrisis.

De pandemie is een voorbeeld van hoe twee kernfuncties van de overheid – de bescherming van burgerlijke vrijheden en de levering van publieke goederen – met elkaar in conflict kunnen komen. Er is gebleken dat een groot deel van de mensen over de hele wereld bereid is om hun eigen rechten en vrijheden op te offeren om de volksgezondheid te verbeteren tijdens deze crisis. De steun van de burgers is echter waarschijnlijk heterogeen en hangt af van hun eigen blootstelling aan gezondheidsrisico’s en van de mate waarin ze bang zijn voor de uitholling van hun burgerlijke vrijheden (Alsan, Braghieri, & Eichmeyer, 2020).

Volgens politiek filosofen als Hobbes, Locke en Rousseau kunnen burgers een deel van hun vrijheid opgeven om vervolgens deel uit te maken van een politieke gemeenschap, ofwel de staat, juist om een betere bescherming van hun resterende rechten en vrijheden te verzekeren. Overheden moeten vaak complexe afwegingen maken, vooral in tijden van crisis, aangezien dan burgerlijke vrijheden kunnen worden ingeperkt om het algemeen welzijn te beschermen. Tijdens de coronacrisis is dit ook het geval: burgerlijke vrijheden die in democratische samenlevingen bijna universeel waren gegarandeerd, worden beperkt in het belang van de volksgezondheid (Alsan, Braghieri, & Eichmeyer, 2020). Dit standpunt werd in het eerste deel van de serie bepleit. In dit essay wordt het tegenovergestelde gesteld: in tijden van crisis zouden burgerlijke vrijheden niet ingeperkt mogen worden. In andere woorden: de uitzonderlijke toestand waarin we ons nu verkeren mag niet de democratische principes in gevaar brengen. De pandemie mag niet leiden tot een vermindering van individuele rechten, aangezien de coronacrisis veel risico’s met zich meebrengt.

De vraag die opkomt bij de coronacrisis is in hoeverre de overheid de volksgezondheid boven de individuele vrijheid zou mogen stellen. In de tijd van de Verlichting ontwikkelde de voornaamste taak van de staat, namelijk het beschermen van de burgers. Voorheen bekommerde de staat zich enkel om het territoriale voortbestaan. Sinds de 18e eeuw heeft de bescherming van het welzijn en de gezondheid van de burgers centraal gestaan bij de staat. Om deze reden kijken we er niet van op dat we beperkingen opgelegd krijgen op het moment dat deze gezondheid in gevaar is.

Toch gaat deze inperking van vrijheden verder dan bijvoorbeeld een rookverbod om de gezondheid te beschermen. Door de overheidsmaatregelen wordt onze vrijheid onder druk gezet in de naam van gezondheid. Vele denkers zijn van mening dat het medicijn erger is dan de kwaal. Giorgio Agamben, Italiaans denker, publiceerde op 26 februari 2020 een reeks artikelen in Il Manifesto. Hierin beschrijft hij dat de noodmaatregelen die genomen zijn door de overheid van Italië ‘panisch, irrationeel en absoluut ongegrond’ zijn. ‘De angst voor de pandemie geeft aanleiding tot paniek en in naam van de veiligheid aanvaarden we maatregelen die de vrijheid ernstig aan banden leggen, waardoor de uitzonderingstoestand wordt gerechtvaardigd.’

Het eerste risico dat de coronacrisis met zich meebrengt is dat sommige uitzonderlijke maatregelen die in de context van een noodsituatie worden genomen, uiteindelijk binnen de reikwijdte van de gewone wetgeving kunnen vallen, als leiders beweren dat een wijdverbreide bedreiging voor de gezondheid op elk moment weer de kop kan opsteken. Het lijkt alsof de pandemie een excuus is om bepaalde maatregelen onbeperkt te kunnen verruimen. Heersers die elke mogelijkheid aangrijpen om hun macht te verruimen en te consolideren. In de Verenigde Staten (VS) heeft de Patriot Act op de lange termijn inbreuk gemaakt op de burgerlijke vrijheden door veiligheidsdiensten toe te staan elke Amerikaan te bespioneren zonder eerlijk proces. In Frankrijk verminderde een antiterrorismewet na de terroristische aanslagen in Parijs in 2015 de burgerlijke vrijheden door het justitiële toezicht op veiligheidsinstrumenten in te perken.

Een dergelijke normalisatie van noodmaatregelen is een trend geworden in democratieën. Een ander risico dat hiermee verworven is, is het feit dat de pandemie door leiders wordt benut om beleid door te voeren dat in normale omstandigheden nooit doorgevoerd zou kunnen worden. Voorbeelden hiervan zijn Trump (heeft de Amerikaanse industrie de vrijheid gegeven om de milieuwetten te overtreden tijdens de noodtoestand) en Macron (heeft de maximale werkweek uitgebreid naar zestig uur).

Het derde risico dat de coronacrisis met zich meebrengt is de massale surveillance die door regeringen wordt versterkt onder het nom van het beschermen van de gezondheid. Voorbeelden hiervan zijn de regeringen van Zuid-Korea, Israël en China. Analyseren van de locaties, het in kaart brengen van mobiele telefoons, video-surveillance en gezichtsherkenningstechnologieën; deze zaken zijn nu allemaal mogelijk. Surveillancebevoegdheden zullen vertienvoudigen. Verder is er weinig kennis over hoe deze gegevens op de lange termijn zullen worden opgeslagen en hoe verleidelijk het voor regeringen zal zijn om in de nasleep van de pandemie meer toezicht te houden.

Regeren kunnen kortom profiteren van deze crisis om de surveillancepolitiek te versterken. Zoals Naomi Klein heeft opgemerkt, bestaat deze strategie zodat een regering de kans van een nationaal trauma – bijvoorbeeld een oorlog, een terroristische aanslag, een natuurramp – aangrijpt om radicale hervormingen door te voeren die op voorhand als onaanvaardbaar zouden zijn beschouwd. Deze praktijken kunnen veranderen in panoptisch toezicht op de levens van burgers.

Het is gevaarlijk dat mensen in een democratische rechtsstaat bereid zijn om hun grondwettelijke rechten op te geven, aangezien dit ervoor kan zorgen dat de voorkeur wordt gegeven aan het gezag van een leider in plaats van ethiek, moraliteit en een democratische discussie. Het streven naar veiligheid kan het verlangen naar vrijheid snel aantasten.

Afbeelding door Tobias Tullius via Unsplash