HomeThema'sNationaalDe $35 Miljard Wedstrijd: Hoe Steden Steeds Weer van Hun Eigen Sportclubs...

De $35 Miljard Wedstrijd: Hoe Steden Steeds Weer van Hun Eigen Sportclubs Verliezen

Paradox

Karl Popper schreef ooit: “De groei van kennis is volledig afhankelijk van meningsverschillen.”; wat mogelijk verklaart waarom academici het zo graag met elkaar oneens zijn. Dus wanneer het wetenschappelijk eensgezind is, verwachten we van onze politici dat ze zich daarnaar verhouden. Maar zoals het vaker voorkomt, volgt de realiteit niet de logica die we in ons hoofd bedenken.

In de afgelopen 50 jaar hebben staats- en lokale overheden $35 miljard aan belastinggeld uitgegeven aan de subsidie voor Noord-Amerikaanse sportstadions, met economische ontwikkeling als belangrijkste onderbouwing. Dit negeert volledig de bijna universele consensus onder economen dat dergelijke stadions weinig tot nihil positieve economische impact hebben.

Met een geschatte  $20 miljard aan extra belastinggeld dat onderweg is tegen 2030, roept dit fenomeen de vraag op: waarom blijven Amerikaanse politici geld steken in sportstadions? Dit artikel bespreekt verschillende factoren die hieraan bijdragen.

De ‘Neutrale’ Lobbyist

Sportclubs proberen vaak belastinggeld te innen door te dreigen de stad waar ze gevestigd zijn te verlaten. In feite houden ze het stadsbestuur gegijzeld totdat ze toegeven, dus is het juist verrassend dat economen, John Bradbury, Dennis Coates en Brad Humphreys, vervolgens schrijven dat sportclubs vaak niet het voortouw nemen in de lobby voor het ontvangen van overheidsgeld. De belangrijkste initiatiefnemers zijn de zogenaamde ‘lokale groei-coalities‘.

Lokale groei-coalities zijn al bestaande institutionele allianties tussen leiders binnen een gemeenschap en lokale overheden. Deze coalities bestaan ​​grotendeels uit lokale ondernemers, maar bestaan ​​ook uit andere invloedrijke leden van een gemeenschap. Lokale groei-coalities hebben aanzienlijke invloed op het algemene lokale ontwikkelingsbeleid, invloed die ze gebruiken om hun eigen belangen te bevorderen. In het geval van sportstadions kan een lokale ondernemer topsport en de luxe voorzieningen van moderne stadions gebruiken als een hulpmiddel om klanten en talent aan te trekken en zakelijke netwerken uit te breiden, zonder rekening te houden met het feit dat deze subsidies een slechte economische investering zijn voor de algehele gemeenschap.

Lokale groeicoalities verschillen sterk van de traditionele lobby dynamiek, namelijk omdat deze coalitie losstaat ​​van de sportclubs die de subsidies ontvangen. De lobby van een groei-coalitie wordt daardoor gezien als neutraal en in het belang van het algemene gemeenschaps. Dit neutrale imago doorbreekt de gebruikelijke lobby dynamiek , aangezien het gebruikelijk is dat voor- en tegen-lobbyisten concurreren om de aandacht van politici. Maar deze groei-coalities genieten van het privilege dat politici inherent waarde hechten aan de goedkeuring van de groei-coalitie en vrezen ze hun steun te verliezen als ze tegen hen ingaan. Hierdoor hebben onderzoekers waargenomen dat het standaardbeleid is geworden dat politici zich schikken naar de wensen van de lokale groei-coalitie in plaats van het beleid te evalueren aan de hand van een objectieve kosten-batenanalyse. Deze omstandigheden plaatsen critici in een nadelige positie in gevallen waarin er geen referendum is, omdat critici politici ervan moeten overtuigen om van hun standaardpad af te wijken.

“Kijk es naar wat ik heb behaald”

Bradbury, Coates en Humphreys keken ook naar de interne motivaties van politici en schreven dat volksvertegenwoordigers geneigd zijn om economische ontwikkelingsplannen te steunen die bedrijven zouden moeten aantrekken en zichtbare resultaten opleveren, ondanks het bewijs dat dit beleid ineffectief is. Het grappige is dat juist ontwikkelingsplannen met tastbare resultaten, worden door de meeste kiezers positief beoordeeld, ongeacht hun stemgedrag.

Hierdoor kunnen politici niet alleen hun verantwoordelijk voor deze ‘successen’, maar ook naar hun kiezers toegaan en zeggen: “Kijk es naar wat ik heb behaald”. Dit werkt, omdat kiezers meestal onwetend zijn over de complexe financiën achter dergelijke projecten en het wetenschappelijk bewijs dat dit beleid niet werkt. Bovendien steunen Amerikaanse kiezers vaak politici die bedrijven proberen aan te trekken, zelfs als die inspanningen hun oorspronkelijke doelen niet bereiken. Hoewel politici zelf bewust kunnen zijn van de ineffectiviteit van dergelijk beleid, zouden ze, als ze hun kans om opnieuw gekozen te worden willen maximaliseren, een prikkel hebben om het gebrek aan informatie van kiezers uit te buiten.

Het is dus, politiek gezien, slim dat politici een ​​sportclub aantrekken of behouden door middel van overheidssubsidies. Dit komt doordat sportstadions een zichtbaar economisch project zijn dat een politicus populariteit kan versterken. 

Er met de pet naar gooien

Leden van de media kunnen ook deel uitmaken van lokale groei-coalities, en door middel hiervan hun eigen belangen nastreven. Bradbury, Coates en Humphreys stellen dat media een sportclub kunnen zien als een manier om meer winst te draaien, omdat inwoners meer kranten zullen kopen en meer lokale tv gaan kijken om hun lokale team te volgen. Ongeacht de intentie van de media, is de aanpak van de media echter gebrekkig als het gaat om overheidssubsidies en sportstadions. Dat is van belang, want of de media kritisch zijn of niet, heeft invloed op de uitkomst van zaken over subsidies en sportstadions, vooral in steden met zwakke groei-coalities. Een zorgwekkend vooruitzicht, aangezien sociologen Kevin Delaney en Rick Eckstein het volge schreven in hun boek uit 2003: “In elke stad die we bestudeerden, was de redactie van de belangrijkste lokale krant voorstander van het gebruik van overheidsgeld voor particuliere stadions”.

Een onkritische houding kan worden gezien in de media’s presentatie omtrent economische rapporten die in opdracht  van voorstanders van overheidssubsidies zijn opgesteld. Ongeacht de economische consensus, voorspellen deze rapporten nog steeds hoge opbrengsten, waardoor de subsidie ​​zichzelf zal terugverdienen via toekomstige belastinginkomsten als gevolg van toenemende banen en consumentenuitgaven. Wat deze rapporten echter niet vermelden, is dat deze consumentenuitgaven geen nieuwe uitgaven zijn, maar slechts een verschuiving van consumentenuitgaven naar gebieden dichter bij het stadion, die ten koste van andere delen van de gemeenschap. Dit is maar één van de vele fouten die deze rapporten vaak maken en die de economische voordelen van deze stadions overdrijven. Wanneer de media deze berichten niet kritisch presenteren, kunnen de media bijdragen aan de verspreiding van misleidende informatie onder een publiek dat niet beter weet.

Een onkritische media presenteert haar berichtgeving door uitspraken of (waarnemende) ‘feiten’ over de bouw te presenteren, zonder commentaar te geven op de vraag of deze uitspraken de waarheid bevatten. Dit leidt ertoe dat de media simpelweg een luidspreker worden voor de argumenten van voorstanders van stadions en in opdracht gemaakte rapporten. Dit is te verwijten aan het feit dat het vervangen van stadions een zeldzaamheid is, die ongeveer eens in de 30 jaar plaatsvindt. Hierdoor beschikken lokale media vaak niet over journalisten die specifieke kennis hebben over de economische aspecten van stadions.

Een ander probleem komt voort uit het feit dat de media voor- en tegenstanders van stadions als gelijkwaardige standpunten behandelen, zonder de economische consensus te erkennen. Het probleem van ‘neutrale en evenwichtige’ berichtgeving is iets algemeens, maar Bradbury, Coates en Humphreys beweren dat factchecking en kritische houding ten aanzien van de berichtgeving over stadions bijzonder gebrekkig is. Deze benadering van berichtgeving stelt ten onrechte dat in opdracht gemaakte rapporten en de consensus onder economen even zwaar wegen.

Als onderdeel van lokale groei-coalities kunnen media persoonlijk profiteren van een stadion, wat lokale media kan stimuleren om zich aan te sluiten bij voorstanders van stadions. Kevin Delaney en Rick Eckstein merkten op dat media de gewoonte hebben ontwikkeld om persberichten omtrent stadions op een onkritische wijze te publiceren en verslag te doen van baanbrekende ceremonies, wat bijdraagt ​​aan een pro-stadion sentiment binnen een gemeenschap. Kevin Delaney en Rick Eckstein zagen in hun casestudies (uit hun boek uit 2003) vaak voor komen dat de media verder ging   dan onkritische berichtgeving en ‘evenwichtige berichtgeving’, en dat ze redactionele voorstanders werden van subsidies.

Een Mogelijke Geneesmiddel

Zoals eerder in de inleiding vermeld, wordt er geschat dat tegen 2030 een extra $ 20 miljard zal worden uitgegeven aan subsidies voor sportstadions. Dit grote bedrag is een onregelmatigheid die plaatsvindt vanwege de 30 jarige vervangingscyclus voor stadions en de laatste hausse die plaatsvond in de jaren 90 en 2000. Dus wat moet een willekeurige stad in Noord-Amerika doen als hun favoriete team dreigt te vertrekken als ze geen subsidie ​​krijgen? Kijk natuurlijk naar Boston!

Het is 1981, disco was officieel aan het sterven en dat gold ook voor de dromen van veel inwoners van Boston, toen de eigenaren van hun lokale hockeyteam, de Bruins, plannen hadden om te verhuizen naar een dorp aan de New Hampshire kant van de grens tussen New Hampshire en Massachusetts. Iedereen die bekend is met Amerika zou zichzelf afvragen: “Waarom zou een sportclub verhuizen vanuit een van de grootste steden van het land naar een staat die bekendstaat om het tegenovergestelde van het stedelijke leven?” Het antwoord ligt, zoals altijd, in geld, met name $5 miljoen aan jaarlijkse belastingvoordelen.

Als reactie op de plannen van de eigenaren van de Bruins, werd een coalitie gevormd, niet een lokale groei-coalitie, maar een die tegen de verhuizing zou ingaan. Politieke leiders op lokaal, staats- en federaal niveau verbonden aan Massachusetts, kwamen samen en waren bereid een enorme economische en politieke strijd te aan te gaan tegen de staat New Hampshire en de eigenaren van de Bruins, als de inwoners van Boston hun dierbare hockeyteam zouden verliezen. Uiteindelijk werkte de campagne. De Bruins bleven in Boston zonder een cent belastinggeld aan te hebben ontvangen.

De les vanuit Boston is dat iedereen samen moet werken in campagne. In andere gevallen concurreren regionale groepen (platteland versus stadskern) in plaats van samen te werken; zo zou de plattelandse gemeenschap in Massachusetts een andere hadden kunnen innemen, waardoor de coalitie ten onder zou gaan.

Foto door Pexels via https://pixabay.com/photos/athletes-stadium-crowd-audience-1846039/

RELATED ARTICLES
- Advertisment -

Most Popular

Recent Comments